Experts vrezen overal windmolens: “Ons land gaat in de uitverkoop”

Nederland krijgt er de komende jaren honderden windmolens en tienduizenden voetbalvelden aan zonneparken bij. Broodnodig om de klimaatdoelen te halen. 

Maar de weerstand groeit, want niemand wil windturbines van 250 meter hoog in zijn achtertuin.

Nederland wil uiterlijk in 2030 ruim 50 terawattuur aan groene stroom opwekken. Dat komt neer op zo’n 3.180 windmolens en 68.900 voetbalvelden vol zonnepanelen. De plannen zijn vastgelegd in regionale energiestrategieën. Experts zien grote problemen. Ze vrezen voor verloedering van het landschap en veel weerstand van burgers.

Nederland moet in 2050 de CO2-uitstoot met minimaal 95 procent reduceren ten opzichte van 1990, daarmee beperken we de opwarming van de aarde tot 2 graden. Dat is noodzakelijk om allerlei ernstige gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. 

Nu nog gebruiken we olie, kolen en gas, maar op termijn moeten we volledig fossielvrij zijn. Daarvoor schakelen we over op duurzame energie en moeten we heel veel energie besparen. Dit hebben we samen met 195 landen afgesproken in het klimaatakkoord van Parijs.”

1. Wat ons te wachten staat
Vrijwel overal waar plannen zijn voor windparken komen inwoners in actie en ontstaat georganiseerd verzet. Soms zelfs tot bedreigingen en brandstichting aan toe. Lange bezwaarprocedures bij de Raad van State zijn eerder regel dan uitzondering.
Er is dus nog steeds sprake van polarisatie rondom plannen voor de aanleg van windmolen. Omwonenden komen in het geding, niet zelden in de vorm van burgercomités. Vaak begrijpelijk vanuit hun optiek, maar wel lastig voor de overheden die hun klimaatdoelstellingen moeten behalen.

Dat moet anders, met minder weerstand onder inwoners. Daarom is in 2019 in het klimaatakkoord afgesproken dat lagere overheden voortaan zelf beslissen waar windparken en zonnevelden komen. Laat gemeenten en provincies samen met lokale organisaties en inwoners bepalen hoe en waar er in hun regio groene elektriciteit wordt opgewekt en er ontstaat als vanzelf draagvlak – is het idee.

Het land is opgedeeld in dertig energieregio’s die allemaal hun eigen regionale energiestrategie (RES) hebben gemaakt. Daarin staan harde afspraken over hoeveel duurzame stroom in 2030 per regio moet worden opgewekt en of dat via windturbines of zonnepanelen moet gebeuren. Meestal is het een combinatie van beide. Het gaat hierbij uitsluitend om projecten op land, de regio’s gaan niet over windparken op zee (in 2030 moeten er 1100 windturbines op zee staan). De RES’en liggen inmiddels op tafel en wie ze bekijkt, duizelt het al snel.

Miljardensubsidies
Samen zijn de regioplannen goed voor ruim vijftig terawatt-uur. Omgerekend gaat het om zo’n 3.180 windmolens van 3 megawatt en 34.500 hectare aan zonneparken. 
Dat zijn circa 69.000 voetbalvelden volgelegd met zonnepanelen. Niet alle plannen zullen de eindstreep halen, maar minimaal 35 terawattuur aan wind- en zonneparken móét over tien jaar klaar zijn. 

Daarmee zijn we er nog niet, want in 2050 moet een veelvoud daarvan aan groene stroom worden opgewekt. Al die windturbines en zonneparken worden voornamelijk gebouwd door commerciële bedrijven. Een selecte groep energiereuzen zoals Vattenfall, RWE, Eneco en Essent neemt het gros van de windparken voor zijn rekening. 

Bij zonneparken is de markt veel meer versnipperd en zijn tientallen, relatief jonge, projectontwikkelaars actief. De overheid subsidieert deze projecten volop via de stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE). Tussen 2016 en 2024 is er zo’n 50 tot 60 miljard euro aan subsidies beschikbaar.

De energiestrategie van veel regio’s is al zeer concreet, zoals die van de Cleantech regio. In Apeldoorn en zes omliggende gemeenten moeten over tien jaar 62 windturbines staan en ruim duizend hectare aan zonneparken, zo’n tweeduizend voetbalvelden. 

De energieregio’s hebben de opdracht om hun inwoners bij de plannen te betrekken, maar dat blijkt in de praktijk lastig.

Een ‘complexe opgave’ noemt Evelyne van de Vlekkert dat. Zij is coördinator van de RES Cleantech regio en praatte de afgelopen anderhalf jaar heel wat af om de plannen concreet op papier te krijgen. 
Ze organiseerde lokale ‘ateliers’ met ‘stakeholders’ zoals waterschappen en energiecoöperaties, hield een enquête onder drieduizend inwoners en zocht naar ‘zoekgebieden’ voor windmolens en zonnevelden. Die werden gevonden bij plaatsen als Klarenbeek, Epe, Voorst, Heerde, Brummen, Lochem en Zutphen. “De plannen leggen beslag op de schaarse ruimte en er is veel weerstand tegen windparken en zonnevelden”, heeft Van de Vlekkert inmiddels gemerkt.

De energieregio’s hebben de opdracht om hun inwoners bij de plannen te betrekken, maar dat blijkt in de praktijk lastig. De gesprekken gaan vooral tussen ambtenaren en mensen die professioneel betrokken zijn bij de energietransitie, zoals netbeheerders en adviesbureaus.

“Tot nu toe is inwoners maar bar weinig gevraagd”, constateert Marcel Boogers, hoogleraar Innovatie en Regionaal Bestuur aan de Universiteit Twente. 
“De totstandkoming van al die regionale energiestrategieën is meer een ambtenarenfeestje. Alleen de best georganiseerde belangen zitten aan tafel. Woon jij in een dorp of stadswijk die tegen een polder aankijkt waar straks een windpark komt, dan ben je niet aan bod geweest.” 

“En dat was nou juist wél de bedoeling”, stelt Boogers. Nu worden mensen overvallen door ingrijpende plannen naast hun deur. “Het vertrouwen is weg, een recept voor veel weerstand.”

2. Waarom er zo veel weerstand is

De meeste Nederlanders vinden de energietransitie noodzakelijk, maar zodra windmolens te dichtbij komen, veranderen ze van mening. 

Landschapsvervuiling, een verpest uitzicht, hinderlijke slagschaduw van ronddraaiende wieken, hoofdpijn door laagfrequent geluid, waardedaling van woningen. Vraag omwonenden van een windpark naar hun bezwaren en ze dreunen dit rijtje moeiteloos op.

Terechte bezwaren, vindt directeur Rob Rietveld van de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines, want windparken dichtbij huis kunnen wel degelijk de gezondheid aantasten, stelt ook het RIVM. Toch is het volgens Rietveld iets anders dat steeds maar weer kwaad bloed zet. “Omwonenden worden niet serieus genomen.”

Voordat een projectontwikkelaar met het plan naar buiten komt, is alles vaak al tot in de kleinste details geregeld. Er is een akkoord met de grondeigenaren, de gemeente schaart zich achter het initiatief en het aantal windturbines of de omvang van het zonnepark staat vast. 

Dat stoort mensen, ze hebben het gevoel dat ze geen invloed meer hebben en alles al vaststaat. Dat zorgt voor boosheid en frustratie. Want het is wel hún leefomgeving die onherkenbaar verandert.

Advocaat Peter de Lange staat veel omwonenden van windturbines bij. Hij ziet vaak hetzelfde patroon, waarbij een projectontwikkelaar een één tweetje doet met het bevoegd gezag. Beste gemeente, u wilt over tien jaar energieneutraal zijn? 

Dan hebben we goed nieuws. Wij kunnen tien windmolens neerzetten in uw gemeente. De businesscase is rond en we hebben al een overeenkomst met de landeigenaar. Behalve een vergunning afgeven, hoeft u niets te doen, wij regelen alles. Veel colleges zijn hier gevoelig voor, want gemeenten staan onder druk om over tien, vijftien jaar energieneutraal te zijn. Dat de projectontwikkelaar de inwoners niet bij zijn plan heeft betrokken, wordt voor het gemak even vergeten.

De weerstand tegen de bouw van wind- en zonneparken zorgt voor polarisatie en zet de sociale cohesie in dorpen en buurten onder druk. Er ontstaan ruzies tussen voor- en tegenstanders, soms zelfs binnen families. Buren kijken elkaar met de nek aan, kinderen mogen niet meer met vriendjes spelen van wie de ouders verdienen aan een windturbine op hun land. Gemeenschappen raken gespleten.

Spanning om te snijden
Er wordt geschreeuwd en stemming gemaakt. Dit soort projecten kan veel leed veroorzaken. Mensen zijn kwaad, praten slecht over elkaar. De gemeenschapszin gaat naar de knoppen.

In sommige streken loopt de strijd tegen een project zó uit de hand, dat mensen naar illegale middelen grijpen. Zoals in de Drentse Veenkoloniën, waar de windparken Drentse Monden en Oostermoer en windpark N33 in aanbouw zijn en al jaren zorgen voor een felle controverse tussen voor- en tegenstanders. In totaal komen er tachtig windturbines met een tiphoogte van 210 meter. Sommige dorpen zijn aan weerszijden omsloten door lange rijen windmolens. 

Windboeren werden geïntimideerd en kregen kerstkaarten met dreigende teksten. Van een boer werd de schuur in brand gestoken. Asbest werd op akkers gedumpt, net als metalen voorwerpen, waardoor landbouwvoertuigen beschadigd raakten.

Bedrijven die betrokken zijn bij de bouw van de windturbines kregen dreigbrieven. ‘Wij staan niet in voor de veiligheid van uw personeel.’ Ondertekend met: ‘Belaagde en bedreigde burgers uit Groningen en Drenthe.’ 

Twee bouwbedrijven trokken zich terug uit het project uit angst voor geweld. Op windmolens werden hakenkruisen geklad, politici werden op pamfletten afgebeeld als ‘beul van Drenthe’ met nazi-pet op.

De reeks bedreigingen en vernielingen brachten de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid ertoe te waarschuwen voor ‘windmolenterreur’ en ‘radicaliserende actievoerders tegen windmolens’. De politie pakte diverse verdachten op voor de bedreigingen. Eind maart staan ze voor de rechter.

Over de schade die de energietransitie aan het landschap toebrengt, bestaan grote zorgen. Zoals bij landschapsarchitect en Rijksadviseur Berno Strootman, tot vorige week lid van het College van Rijksadviseurs – een invloedrijk orgaan dat de regering adviseert over de ruimtelijke kwaliteit van ons land. Met lede ogen ziet hij aan hoe industriële installaties, zoals hij windturbines en zonne-energiecentrales noemt, lukraak als hagelslag over het land worden uitgestrooid.

3. Hoe we draagvlak creëren
De overgang van vervuilende fossiele brandstoffen naar schone energie is de grootste transitie in decennia. Dat kost jaarlijks miljarden en is een proces van lange adem. Draagvlak onder de bevolking is noodzakelijk om alle projecten uit te voeren en niet steeds weer te verzanden in een loopgravenoorlog en ellenlange procedures. Dan helpt het niet dat de miljoenenwinsten die wind- en zonneparken boeken meestal niet in de regio blijven waar ze staan, maar wegvloeien, vaak zelfs naar bedrijven in het buitenland. Terwijl inwoners jarenlang tegen de windturbines aankijken.

Om de lasten en lusten eerlijker te verdelen is participatie inmiddels het toverwoord. Ook inwoners, lokale bedrijven en energiecoöperaties moeten financieel profiteren van de opbrengsten van het wind- of zonnepark om de hoek. Door aandelen te kopen in een project of via gebiedsfondsen, waarin exploitanten jaarlijks een deel van de winst storten. Geld dat wordt gebruikt voor de speeltuinvereniging, de jaarlijkse buurtbarbecue of de aanleg van een skatebaan voor de jeugd. 

De weerstand zal deels verdampen en het draagvlak zal groeien. In het klimaatakkoord is afgesproken dat 50 procent van een windpark of zonneveld in lokaal eigendom moet zijn.

Verstandige ontwikkeling

Als je de lusten laat terugvloeien in de lokale gemeenschap, gaan mensen anders naar energieprojecten kijken. In plaats van zich te ergeren aan het geroetsj van de wieken, denken ze: die molen verdient geld voor mij. Dat is een heel ander perspectief.

Een windturbi­ne staat op een klein stukje land, maar dat levert de eigenaar jaarlijks een bedrag van dertig- tot vijftigdui­zend euro op. 

Laat mensen niet alleen meepraten en beslissen over veranderin­gen in hun leefomge­ving, maar laat ze ook financieel profiteren.

Een ander voorbeeld is de grondvergoeding. Een windturbine staat op een klein stukje land, maar dat levert de eigenaar jaarlijks een bedrag van dertig- tot vijftigduizend euro op. Die grondvergoeding kun je socialiseren door de opbrengst te verdelen onder omwonenden. Niet alleen de eigenaar verdient er dan aan, ook zijn buren worden er beter van.

Hoewel de weerstand tegen grootschalige windparken en zonnevelden nooit volledig zal verdwijnen, zal de tijd zijn werk doen. 
De meeste mensen zijn vóór het opwekken van duurzame energie, maar dat moet wel gecoördineerd gebeuren. Niet door overal maar lukraak windturbines en zonnevelden neer te zetten, maar door afgewogen beleid: windparken zoveel mogelijk op zee en concentreren in bepaalde gebieden op land waar het meer waait en ze beter passen in het landschap. Geen zonneparken van honderden voetbalvelden groot op landbouwgrond, maar zonnepanelen op industriële daken en braakliggende terreinen.

Het is de vraag of de coördinatie bij de provincies en gemeenten moet blijven of dat de coördinatie voor duurzame energie bij het Rijk thuishoort.

Delen: